Religieus Genootschap der Vrienden

5.7 Quakers en de kunsten

Avontuurlijk leven vraagt behalve moed, ook veel creativiteit. Vroeger keurde men echter in Quaker kringen uitingen van creativiteit af wanneer die niet op het eerste gezicht nuttig leken. De geschiedenis van de Vrienden laat een traditie zien waarin zich een geleidelijk toenemende diversiteit van opvattingen over de kunsten aftekent. De neerslag hiervan vinden we terug in de opeenvolgende versies van de zogenoemde ‘Raadgevingen en Vragen’ en de periodiek verschijnende uitgaven van de ‘Books of Christian Discipline’ ofwel ‘Quaker Faith and Practice’. Hoewel de uitspraken in al deze versies in de tijd verschilden vormen de Quaker getuigenissen steeds de rode draad.

Sommige aspecten van wat Quakers van persoon op persoon en van generatie op generatie overdroegen veranderden meer dan andere. Zo wijzigde zich de houding die de Quakers gedurende de eerste 200 jaar van het bestaan van het Genootschap innamen ten opzichte van de autonome schone kunsten. Zíj werden beschouwd als afleidende verstrooiing, die door hun meeslepend beroep op emoties de betrokkenheid op wat mensen op deze aarde ter harte moest gaan, aantastte. Het verpozen in de schijnwereld van het theater en de dans, met hun soms overdreven dramatiek en theatrale betoveríng, vonden de vroegere Quakers gevaarlijk dicht bij het gangbare patroon van triviaal vermaak liggen. Zo sloten Quakers zich oorspronkelijk af voor de muzikale traditie omdat zij die in de eerste plaats associeerden met de hofcultuur en de liturgische cultuur enerzijds, ofwel met de vulgaire cultuur van kermissen, dans, pret, zinnelijk vermaak anderzijds. Religieuze muziek werd beschouwd als iets wat de directe omgang tussen God en mens verstoorde. Daarbij kwam dat men er rekening mee hield dat gemeenschappelijke zang, als onderdeel van de samenkomst, gelovigen zou brengen tot het zingen van teksten die buiten de persoonlijke geloofservaring stonden. In de negentiende eeuw brachten de opwekkingsbewegingen in de Verenigde Staten de gemeentezang binnen de Quaker kring, en begonnen de Quakers te beseffen dat naast het ‘stille uur’ ook kunst een positieve waarde kan hebben. Elizabeth Fry pleitte in 1833 voor een plaats van kunst in de opvoeding.

In de loop van de negentiende eeuw veranderden deze opvattingen en allengs kreeg men in Quaker kring oog voor de positieve waarde die de kunsten in het menselijk leven kunnen hebben. Men begon ruimte te maken voor persoonlijke keuzen, voor de vorming van een moreel én een esthetisch oordeel op een terrein dat eerst door hen werd gemeden.

Het kiezen tussen mooi en lelijk, net zoals de keuze tussen goed en kwaad kon men nu ook zien als een onvervreemdbaar aspect van het menselijk leven. Het luisteren naar muziek, het met elkaar musiceren, het lezen, acteren, boetseren enzovoort, kortom het aanspreken van de creatieve mogelijkheden in onszelf, kunnen bijdragen tot het hervinden van ons evenwicht in een wereld die soms uit balans lijkt te zijn. Schoonheidsbeleving en het scheppend vermogen ging men zien als een door God gegeven kwaliteit van mensen.

Om een dans te maken moest ik het gevoel krijgen dat ik geleid was. Ik luisterde naar binnen door de lichamen, persoonlijkheden en capaciteiten van de dansers in een poging om naar
het diepste niveau te gaan en te ontdekken wat voor bewegingen daaruit wilden opkomen. Dan volgde ik de gouden bewegingsdraad waar en hoe die zich wilde ontwikkelen. Altijd probeerde ik goed te luisteren en te volgen. Het voelt hetzelfde als de leiding om een boodschap in de wijdingssamenkomst te delen. Van binnen naar buiten in beweging en gebaar, de bijna universele taal, van hart en ziel naar hart en ziel spreken, het toneel als wijdingssamenkomst. Dat was mijn roeping als choreograaf en mijn ervaring.

Christopher Beck, 2013.

De grond rondom mijn woning is vandaag totaal bedekt met mangogele en bruinleren bladeren. Hoezeer ik ook van ontluikend groen hou – er gaat niets boven de tinten van een vers herfsttapijt, zoals dat hier nu ligt uit te rusten na een grote storm, zich nog niet bewust van toekomstige regenpap.

Mijn ogen zwerven door alle tinten van het tapijt, van de bomen, van de ene te laat nog tot bloei gekomen zomerroos en de rode bottels. Straks is dat alles weg, er komt een lange winter van onthouding aan: kale takken, grijze luchten, donkere kleding. Alleen in huis krijgen mijn ogen dan nog voeding van Miró en van Hundertwasser. Ik ben een Quaker die leeft van kleuren en dat in deze eeuw gelukkig ook mag zeggen.

God schiep de kleuren en gaf ons de bijbehorende ogen, Deo gratias.

Thea Droog, 2013.

Wat ‘Kunst’ maken betekent, ach, dat is lastig te zeggen.
Ik weet dat ik er veel van leer. Bijvoorbeeld:
Tevreden zijn, misschien zelfs trots als iets vandaag gelukt is. Verbazing. En de volgende dag vele tekortkomingen zien en me daar nederig en bescheiden door voelen. Evalueren en relativeren dus. Wat anderen over mijn producten zeggen, zegt niet veel over die producten maar alles over de ander. Ik leer door te tekenen het belang van de grote lijn én de details, en de verhouding daartussen. Ik zie dat de schets soms mooier is dan het eindresultaat, ik merk dat een idee niet altijd gerealiseerd kan worden. Dat afstand nemen erg belangrijk is: als je ergens te lang bovenop zit, zie je het niet goed meer. Het zijn allemaal dingen die in mijn dagelijks leven doorklinken….
Ik kan er niets aan doen dat ik kan tekenen, het hoort bij me.
En ik heb beter leren kijken natuurlijk.
Als ik echt aan een langer durend werk bezig ben, is de stemming erg belangrijk. Er is geen denken tijdens het schilderen. Er is een stemming en het lichaam dat ‘gehoorzaamt’. En een geest die luistert.
Erik Dries, 2013.

Posted on