Religieus Genootschap der Vrienden

3.9 Houding ten aanzien van sacramenten

Een religie probeert de realiteit die onder het gewone leven ligt te bereiken: de unieke innerlijke ervaring die aanvoelt als genade, een niet uit te drukken waarheid. Door de
tijd heen hebben kerken geworsteld om mensen te helpen om dat buitengewone in het gewone te herkennen, of zoals Quakers het zeggen: dat van God te vinden in hun dage- lijkse leven. Die beleving en herkenning proberen veel kerken op te roepen door bepaalde omstandigheden te scheppen. In religieuze taal worden deze uiterlijke woor-den, symbo- len en handelingen, die tekenen zijn van een innerlijke ervaring of genade, ‘sacramenten’ genoemd.

De Quakertraditie kent geen uiterlijke sacramenten. Voor de meeste kerken zijn de sa- cramenten wezenlijk verbonden met de geloofsbeleving van hun leden. Zo zijn doop en de eucharistie of avondmaalsviering van oudsher door de kerken opgevat als exclusieve tekenen van de vereniging van Christus met de gemeenschap van gelovigen: de kerk. De elementen van water, brood en/of wijn zijn onlosmakelijk onderdeel van die vieringen. Quakers zijn een andere weg gegaan. Quakers zeggen niet dat de viering van de sacramen- ten verkeerd is, wel menen zij dat die viering niet essentieel is voor een oprecht discipel- schap van Jezus en het ervaren van Gods nabij-zijn.

Quakers hebben er moeite mee als het sacrament als voorwaarde wordt gesteld voor het volledig deelnemen aan de geloofsgemeenschap. Zij vinden dat de werkelijkheid van Gods aanwezigheid ervaren kan worden zonder die uiterlijke tekenen. Zij willen die aanwezig- heid ervaren in een stil wachten en hun diepste mystieke beleving met anderen delen als een gemeenschap in Gods Geest. De Geest die ons aanspoort te leven voor een wereld waarin vrede en gerechtigheid geweldloos werkelijkheid worden. Zo is het hele leven sacrament.

Het begin van de Quakergeloofsgemeenschap ligt in het verlangen van de aanwezigen naar de vertrouwelijke omgang met God (Psalm 25:14) en het geloof dat in ieder mens het vermogen schuilt om gehoor te geven aan Gods opdracht het goede te kennen en te doen, zoals Jezus van Nazareth ons dat heeft voorgeleefd.

Want het is geen uiterlijke zaak of uiterlijk doen dat baten kan.(…) Nee, o nee: het is het verborgen leven, een verborgen tempel, een verborgen dienst en dat in Gods tijd. Ja, het is een verborgen maan, een verborgen avondmaal.
William Penn, 1677.
In: De Oude Waarheyd Ontdekt, Rotterdam, 1684, blz. 41.

Echt geloven (echte vroomheid, godsvrucht) beweegt mensen niet zich van de wereld af te keren, maar maakt het hen mogelijk beter in de wereld te leven en stimuleert hun pogingen de wereld te verbeteren.
William Penn, 1682, QF&P 21.17

De ideale daadkracht ontstaat pas, als ik de levende relatie voel met de omringende wereld. Een gevoel van verbondenheid met al wat leeft, dat in mij het besef wakker roept verant- woordelijk te zijn voor het grote Leven, dat ik ook als mijn leven voel. Dit gevoel van relatie is, althans in mij, niet altijd levend. Moet ik nu alle werk achterwege laten en wachten tot die ervaring zich herhaalt? Neen, want het een vloeit uit het andere voort. De moeilijkheid begint pas, als we die relatie missen en onze taak niet meer duidelijk voor ogen staat.
Aad van Oosten, 1957

Het luisteren naar de stem in ons, het afsteken naar de diepte, het met niets durven wagen, zoals George Fox, die een zoeker was en alle uiterlijkheden als hulpmiddel, als niet ter zake doende afwees, dat vraagt van ons een bereidheid en toewijding die we als het ware elke dag moeten veroveren. Maar ieder mens die het grote moment van de ontmoeting en de overgave heeft gekend, weet waar Jan Luyken de dichter over sprak toen hij schreef:

Ik meende ook de Godheid woonde verre,
in enen troon, hoog boven de maan en sterre,

en hefte menigmaal mijn oog,
met diep verzuchten naar omhoog.

Maar toen gij u beliefde t’ openbaren, toen zag ik niets van boven nedervaren,

maar in de grond van mijn gemoed,
daar werd het lieflijk en zoet,
daar kwaamt gij uit der diepte uitwaarts dringen en als een bron mijn dorstig hart bespringen, zodat ik u o God bevond, te zijn
den grond van mijnen grond.

( Jan Luyken 1649 – 1712)

Die ontdekking dat na het afstropen van uiterlijkheden iets heel bijzonders als cel, als kern geboren wordt en dat er niemand buiten jezelf en dat van God nodig is, dat is een kernpunt. Miep Lieftinck, 1982.

Om een goed begrip te krijgen van Quakers met betrekking tot de sacramenten is het zinvol een blik op de geschiedenis van de Quakers te werpen. De eerste Quakers vonden elkaar niet in een nieuwe interpretatie van de sacramenten of het kerk-zijn in ecclesiologische zin, maar in de existentiële geloofservaring en het getuigenis van Gods verbond met mensen, de herkenning van zijn vernieuwende geest in Jezus. Tussen de andere christenen willen Quakers een beschei- den weg zoeken zonder de uiterlijke zekerheden van dogma’s en sacramenten. Daar waar instituties, rituelen, vormen van exclusiviteit en machtsstructuren in de gevestigde kerken belemmeringen gingen vormen voor een persoonlijke geloofservaring, kozen Quakers voor een ingetogen, gezamenlijk in stilte, wachten op God, zonder orde van dienst. Zonder voorganger of ambtsdrager, zonder gemeentezang, zonder formuliergebeden en zonder sacramenten.
Het begin van de geloofsgemeenschap ligt niet bij de sacramenten als heilsinstellingen of sym- bolen, maar bij het diepe verlangen naar en de ervaring van de gemeenschap, de verborgen omgang met God.
Als wij zeggen dat de Quakers de sacramenten van doop en avondmaal kennen in hun inner- lijke betekenis dan verwijst dit naar de ervaring van vernieuwing en gemeenschap in Gods Geest als een onbemiddeld gebeuren. Zij hebben dat niet naar de letter uit het evangelie leren kennen, maar in hun persoonlijk leven en in de gemeente (geloofsgemeenschap) in een levend getuigenis ervaren. Zonder de waarde van de verschillende tekenen zoals die voor vele chris- tenen onverbrekelijk met hun geloof verbonden zijn te ontkennen, vinden Quakers elkaar in een geloofsbeleving die zich onthoudt van rituelen die vóór de geloofservaring uit kunnen gaan of deze in een onbedoelde veruiterlijking gevangen zouden kunnen houden. In het breken en eten van brood kan na het laatste avondmaal dat Jezus met zijn discipelen had altijd het per- spectief liggen van het herstel van de gemeenschap van God met de mens en de gemeenschap van mensen onderling (communio). De tafel waaraan de mensen aanzitten en hun dagelijks brood nuttigen wordt ook de ‘tafel des Heren’ als zij brood breken en (wijn) drinken te zijner gedachtenis. De Quakers hebben gebroken met de kerkelijke gewoonte om de ‘tafel des Heren’
te beperken tot een rituele c.q. sacrale exclusiviteit en/of de verplichting van een wekelijkse of jaarlijkse deelname.
Over het ambt zegt een Quaker geschrift uit 1944: ‘Quakers wilden dat iedere stap en tussen- station van zaligheid en eredienst een levend proces waren. Zij zijn beducht voor formules die een verondersteld heilig effect hebben. Zij hoeden er zich voor formele ambtsdragers te hebben die tot een speciale klasse behoren en geacht worden over bijzondere krachten te beschikken die anderen missen’ (Rufus Jones, geciteerd door Gerald Hibbert in “Friends and the Sacra- ments”. Dit laatste geeft aan waarom Quakers het ambt niet kennen. Er is sprake van een volledig priesterschap der gelovigen. Het is de logische consequentie van de afwezigheid van de uiterlijke sacramenten. De samenkomsten vinden dan ook plaats op basis van dit ‘priester- schap’ van de gelovigen en in volledige gelijkwaardigheid van ieder om daaraan uitdrukking te geven.

Uit: Reactie Nederlandse Jaarvergadering op het rapport ‘Doop, Avondmaal en Ambt’ (BEM-rapport) van de Wereldraad van Kerken, 1985.

Terug naar inhoudsopgave

<== Vorige: 3.8  Houding ten aanzien van geloofsbelijdenissen
Volgende: 3.10  Oecumenische samenwerking ==>

Posted on