Religieus Genootschap der Vrienden

Als je gelooft dat iedereen gelijk is, waarom ben je dan zo rijk?

Uit de Correspondent, door Rutger Bregman (klik voor hele artikel)

In 1971 kwam een 25-jarige filosoof met een gedachte-experiment dat duizenden mensen tot op de dag van vandaag bezighoudt. Als jij, inwoner van een van de rijkste landen ter wereld, het leven kunt redden van tientallen kinderen in nood, waarom doe je dat dan niet? Dit is het verhaal van een van de interessantste, en meest confronterende, bewegingen van onze tijd.

De beweging startte met de auteur: Peter Singer en het geschrift: Famine, Affluence and Morality (‘Hongersnood, welvaart en moraliteit’). Het was een oud stuk uit 1971, slechts vijftien pagina’s lang en gepubliceerd in een obscuur filosofisch tijdschrift. Maar de analyse was scherp en helder.

Stel je voor, schreef Singer, dat je een peuter ziet verdrinken in een ondiepe vijver. Je kijkt om je heen en beseft dat er niemand in de buurt is. Het kind kan het hoofdje nauwelijks boven water houden en je weet dat er geen tijd te verliezen is. Maar er is nog een probleem: je hebt je nieuwe schoenen aan. Het zijn die glorieuze dingen die je nog maar net hebt aangeschaft, en goedkoop waren ze niet. Wat nu?

Vrijwel iedereen zal zeggen: springen! Je moet wel een monster zijn om dat kind te laten verdrinken, alleen omdat je te gehecht bent aan je schoeisel. Maar wat als, zegt de filosoof vervolgens, er ieder jaar miljoenen peuters sterven aan de mazelen, malaria of diarree – ziektes die prima te behandelen zijn? Wat als je een hulporganisatie een relatief klein bedrag kunt geven (laten we zeggen: evenveel als je schoenen kostten) en je zo het leven van een kind kunt redden? Is het dan niet je plicht om dat geld te geven? Sterker nog, is het dan niet je plicht om te blijven geven en geven, tot je echt niets meer kunt missen?

Tot op de dag van vandaag wordt Peter Singer in bijna ieder interview gevraagd naar zijn grootste hit. Peter schreef als 25-jarige ‘Er sterven mensen’ Indertijd voltrok zich een ramp in Oost-Bengalen (nu Bangladesh). Peter begon zijn essay met: ‘omdat ze niet genoeg te eten hebben, geen onderdak hebben en geen medische zorg. Het lijden en het sterven dat daar nu plaatsvindt is niet onvermijdelijk, niet onafwendbaar.’

Een hongersnood, een burgeroorlog en een cycloon hadden negen miljoen mensen aan de rand van de afgrond gebracht, en toch deden mensen in rijke landen vrijwel niets. Groot-Brittannië had een beetje steun toegezegd, maar besteedde twintig keer zo veel aan de ontwikkeling van de Concorde (het

supersonische vliegtuig dat nog geen dertig jaar zou vliegen) en Australië had twaalf keer minder gedoneerd dan wat de nieuwe opera in Sydney had gekost.
Hoe viel dit te rechtvaardigen? Peters antwoord was simpel: dit viel niet te rechtvaardigen. ‘De hele manier waarop we naar morele kwesties kijken’, schreef hij, ‘moet worden veranderd, en daarmee ook de manier van leven die we vanzelfsprekend zijn gaan vinden in onze samenleving.’

Al op jonge leeftijd bleek dat Julia Wise anders was dan de kinderen uit haar klas. Als ze zakgeld of een cadeautje kreeg, gaf ze het zo snel mogelijk weg. Als ze toch iets voor zichzelf kocht, voelde ze zich dagenlang schuldig. Het was niet dat ze geen eigen behoeftes had, integendeel. Ze was dol op ijsjes en vuurwerk, nieuwe kleren en boeken. En ze droomde ervan om later kinderen te krijgen, die ze zou leren dansen en tuinieren.
Maar Julia wist dat al dat moois, en kinderen vooral, veel tijd en geld kosten. En ze wist dat er altijd iemand was, ergens ter wereld, die haar geld harder nodig had dan zij.
Jarenlang kende Julia niemand die net zo over de wereld dacht als zij. Soms bracht dat haar aan het twijfelen, maar tegelijkertijd vreesde ze dat die twijfel een excuus kon zijn om minder te doen. In haar studententijd ontmoette Julia haar grote liefde Jeff. Samen ging het stel precies bijhouden waar ze hun geld aan besteedden, en gaven ze ieder dollar die ze konden besparen aan goede doelen. Julia en Jeff vertelden anderen zelden over hun levensstijl. Mensen werden er ongemakkelijk van, merkte Julia, en de paar keer dat ze erover was begonnen was ze voor gek versleten. Maar op een dag ontdekte ze dat ze niet alleen was. Ze las over een vermaarde filosoof, ene Peter Singer, en ontdekte het essay dat hij in 1971 had geschreven.

Voor Julia Wise was het geweldig om steeds meer mensen te ontmoeten die hun idealen net zo serieus namen als zij. Maar naarmate ze zich verder verdiepte in het effectief altruisme begon ook de twijfel toe te slaan.

Haar man Jeff was ICT-er en verdiende veel geld. Maar waarom studeerde Julia eigenlijk maatschappelijk werk, een vak dat slecht betaalde? Kon ze niet beter psychiater worden? Of verzekeringsarts? Julia was dol op haar werk en bood graag een luisterend oor aan mensen in een moeilijke situatie. Maar toch. ‘Laat ik mensen sterven’, vroeg ze zich af, ‘alleen omdat ik een carrière wil die ik ook leuk vind?’

Voor ieder mens is er een punt waarop je idealen in botsing komen met je eigen behoeftes. En hoewel dat punt voor Julia véél verder ligt dan voor de meeste mensen, was er ook voor haar een grens. ‘Ik kon het mezelf niet aandoen’, herinnerde ze zich later. ‘Een sterker persoon had zich er misschien doorheen geslagen (…) maar het kan ook gevaarlijk zijn om jezelf iets te laten doen dat zo verkeerd is voor jou als persoon.’

Julia ging al jaren naar een kerk van Quakers, een vrijzinnige groep gelovigen, en moest vaak denken aan een citaat van de oprichter George Fox, die als ketter was vervolgd door de Britse autoriteiten. In 1656 schreef hij vanuit een gevangenis:

‘Wees een voorbeeld in alle landen, op alle plaatsen en eilanden, voor alle volkeren, waarheen je ook gaat, opdat jij, te midden van alle soorten mensen, door jouw levenshouding een boodschap kunt overbrengen. Dan zul je vreugdevol over deze aarde wandelen en “dat van God in ieder mens” herkennen en aanspreken.’

Die laatste woorden zijn het bekendst geworden. Quakers geloven dat er iets goddelijks zit in ieder van ons, en waren niet toevallig de eerste witte mensen die in verzet kwamen tegen de slavernij. Maar het favoriete woordje van Julia in deze zin is ‘vreugdevol’. Cheerfully. Je kunt grote voldoening halen uit het serieus nemen van je idealen. En Julia besefte dat niemand iets had aan een leeggezogen altruïst. Ze wilde anderen inspireren, en begreep dat haar gesomber geen reclame was voor haar levensstijl.

Julia besloot, kortom, maatschappelijk werker te blijven. Met Jeff sprak ze een budget af dat ze mocht uitgeven aan luxes als snoepgoed en ijs (Julia: ‘IJsjes zijn erg belangrijk voor mijn gemoedstoestand’). Als haar grootouders met Kerstmis cadeautjes voor haar kochten, dreigde ze niet meer om die meteen te verkopen. En in de zomer van 2014 beviel ze van haar eerste kind, Lily……….

Posted on