Religieus Genootschap der Vrienden

De uitdaging van de oecumene

Voor en aan ons als quakers. Deel 1

Kees Nieuwerth, Alg. Vergadering, Mei 2021

Mij werd al in 2019 gevraagd iets te willen vertellen over de waarden van waaruit ik mijn oecumenische werk doe. Tijdens de Algemene Vergadering in mei 2021 gaf ik daaraan gehoor. Op verzoek van een aantal Vrienden heb ik die inleiding nu bewerkt tot een artikel voor de Vriendenkring. De centrale vraag is: wie en wat mij inspireert mij daarbij…hoe ik dat werk kan volhouden. Waar word je door ‘gedragen’? En om ook iets te delen over de zorgen en twijfels die –uiteraard- wel eens de kop opsteken bij dat werk. Sterker nog: één Vriend –in tweeledige zin- we kennen elkaar al meer dan vijftig jaar- zei: ‘we willen in je ziel kunnen kijken’. De verwachtingen zijn dus nogal hoog gespannen.

Nu stelt zich allereerst de vraag ‘wat is dat WERK’ dan?

Mijn werkzame leven begon ik als burgerdienstplichtige/gewetensbe- zwaarde in de ontwikkelingssamenwerking in Kenia. Daarna volgden nog projecten in Nigeria en -een korte periode- in Mali. Afrika heeft een enorme indruk op mij gemaakt. Na mijn eerste jaar in Kenia besloot Hylkia me te volgen en trouwden we in Nakuru. Later werden onze eerste twee kinderen in Nigeria geboren. Hopelijk heb ik/ hebben wij door ons werk een bijdrage mogen leveren aan de ontwikkeling van Afrika, maar in elk geval heeft Afrika een grote bijdrage geleverd aan mijn/onze ontwikkeling. We leerden dat onze ‘westerse’ logica veelal niet werkte in een Afrikaanse context, met andere woorden: dat logica eigenlijk contextueel is. We leerden dat een taal – dus ook de Bantoetalen – impliciet een levensfilosofie weerspiegelt en dat de Afrikaanse en de ‘Europese’ levensfilosofie bepaald niet gelijk oplopen. We leerden veel over de Afrikaanse geschiedenis, over oude onafhankelijke koninkrijken die onder de voet gelopen werden door de koloniale mogendheden. We zagen met eigen ogen de armoede en hoe mensen zich daaraan trachtten te ontworstelen. Het was zonder meer een uiterst inspirerende tijd, die ons wereldbeeld ingrijpend heeft veranderd.
Er was een duidelijke reden om na allerlei omzwervingen terug te keren naar Nederland. Mijn vader kreeg een hartkwaal en onderging een zware operatie. In Afrika werd ons geleerd dat het van belang is dat kleinkinderen hun grootouders leren kennen/ van hun grootouders leren… We streken dus neer in Almelo, mijn geboortestad. Daar kregen we al snel een sociale huurwoning toegewezen omdat we –gelet op de conditie van mijn vader- niet langer bij mijn ouders konden inwonen. Ik begon te solliciteren. Dat werd een lange zoektocht. Vele brieven, vele pogingen. Soms werd ik uitgenodigd. Soms een goed gesprek. Soms ook een ergerniswekkend gesprek, waarbij ik slechts uitgenodigd werd om mij vragen te stellen over Afrika, zoals ‘heb je daar ook giraffen gezien?’ Uiteindelijk vond ik werk bij het Ministerie van Landbouw en Natuur (LNV) op het vlak van natuur- en land- schapszorg, waar ik me vele jaren heb ingezet, onder andere voor het realiseren van de zogeheten Ecologische Hoofdstructuur, een nationaal natuurnetwerk.

Op een goede dag in 1982 vroeg onze Vriendin Maria van Everdingen of ze bij ons in Almelo langs mocht komen. Ze bleek een bijzondere reden te heb- ben voor dat bezoekje. Ze vroeg mij –mede namens de Commissie van Voordracht- of ik bereid was haar op te volgen als vertegenwoordiger van ons Quakers in de Raad van Kerken in Nederland! Na ‘erover geslapen’ te hebben, heb ik daar toen – om in de sfeer te blijven- ‘ja en amen’ op gezegd. Eigenlijk ben ik sindsdien –in verschillende rollen- verbonden aan die Raad van Kerken. In 2015 koos de Raad mij tot vicevoorzitter, hetgeen dus bete- kent dat ik het Raadswerk nu dus doe voor alle 18 geloofsgemeenschappen die daarin vertegenwoordigd zijn. Over de Raad en wat de Raad zoal doet kunnen jullie overigens voldoende lezen in het goede jaarverslag dat onze huidige Quaker vertegenwoordiger in de Raad – Jethro Zevenbergen – geschreven heeft.

Het werk van en voor de Raad van Kerken.

In meer dan één opzicht vormt de oecumene een uitdaging voor ons Quakers. In de eerste plaats heeft dit van doen met onze non-dogmatische en zelfs non-sacramentele opvattingen -die we alleen delen met één andere lidkerk, het Leger des Heils- en het desondanks begrip opbrengen voor andere christelijke tradities. Maar de uitdagingen van de oecumene voor ons als Quakers is of wij als Quakers nog wel (volop) meedoen met de voor- hoede in de strijd tegen bijvoorbeeld armoede en onrecht, racisme en vreemdelingenhaat, klimaatverandering en het verlies aan biodiversiteit, waarin de wereldwijde oecumene volop betrokken is.

En de Nederlandse Quakers?
Over dat werk voor en in de Raad en vanuit welke waarden ik dat doe, wie en wat me daartoe inspireert en wat me zorgen baart wil ik met jullie dus nu iets delen. Er gaat veel tijd, reistijd en energie zitten in de vele vergaderin- gen en vertegenwoordigingen. Daarbij dient bedacht te worden dat ik op tenminste een drietal niveaus van de oecumene opereer: dat van de Raad van Kerken in Nederland, de Europese Raad van Kerken en de Wereldraad van Kerken. En daar hoort in zekere zin organisch ook bij mijn inzet in het bestuur van de Europese oecumenische vredesbeweging Church and Peace. Voor de Europese Raad zit ik bijvoorbeeld in een werkgroep voor van theologen, economen en ecologen die momenteel een constructief-kritische analyse van (Timmerman’ s) EU Green Deal maken, onder de voorlopige titel: From a Green Deal to a Green Economy – Inspired by Green Theology. En juist omdat ik daaraan werk heeft de Raad onlangs – toen er een uitnodiging kwam om deel te nemen aan een door een grote groep Nederlandse wetenschappers opgerichte Commissie Duurzame Toekomst– besloten mij daarnaar af te vaardigen. Deze groep ziet met de nodige zorg dat politici doorgaans maar een tijdshorizon van vier jaar kennen. Dit terwijl de uitdagingen waarvoor wij staan om een lange termijn analyse én visie vragen, een visie tot op zijn minst 2050. Daaraan gaat die Commissie werken. Enkele van de aanstichters daarvan waren destijds reeds leden van de Club van Rome. Weten jullie nog: Grenzen aan de Groei.

Bij de Wereldraad heb ik veel energie gestoken in de dialoog over ‘Rechtvaar- dige Vrede’, samen met vertegenwoordigers van de andere ‘traditionele vredeskerken’ (Doopsgezinden en Brethren, maar ook Moravians en Waldenzers).

In meerdere opzichten is het deelnemen aan de Raad van Kerken verrijkend: ik ben onder de indruk van het maatschappelijk werk van het Leger des Heils, vind de poëtische liturgie met dichterlijke – en daardoor ondogmatische- teksten van St. Efraïm van de Syrisch Orthodoxe kerk prachtig, heb groot respect voor de pauselijke encyclieken Laudato Si en Fratelli Tutti en zeg mét de Doopsgezinden dat we moeten spreken wat bondig is – in tweeërlei opzicht!

Soms zijn de vergaderingen ook best vermoeiend, zeker nu ze vaker via Zoom verlopen. Als ik dan soms moe thuis kom, mag ik nog heel graag even in onze tuin werken. Ook dat is een rustpunt en een inspiratiebron voor me. Maar er zijn natuurlijk ook momenten dat ik ́met gekrulde tenen ́ zit tijdens een overleg. Vooral als het gaat over dogmatiek en ‘de leer’ – daar kom ik later nog op terug. Ook was het onlangs toch nog spannend om de Raad van Kerken te brengen tot een herbevestiging van het onvoorwaarde- lijk nee tegen kernwapens uit de 70 ́er en 80 ́er jaren. Dat terwijl de Wereldraad en het Vaticaan eensgezind zijn dat productie, bezit, dreigen met – laat staan de inzet ervan – zondigen tegen ons geloof is! Maar sommigen zijn blijkbaar nog niet bekeerd tot ‘rechtvaardige vrede’ en willen ’wapenbeheersing’ in plaats van radicale ontwapening!

Een ander voorbeeld: het Moderamen ( Dagelijks Bestuur) van de Raad besloot onlangs adhesie te betuigen met een brief van de Wereldraad van Kerken en de Raad van Kerken in het Midden-Oosten richting het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken.
Het ging om een protest tegen de mogelijke annexatie van grote delen van de Westbank door Israël. Niet alleen zou dit in strijd zijn met het internationaal recht, het zou ook de ‘twee-staten-oplossing’ in Israël-Palestina volkomen onmogelijk maken. Er werd in die brief dus gesuggereerd dat – indien Israël dat daadwerkelijk zou doen – economische sancties te overwegen waren. Dat heeft de Raad geweten: er volgde een campagne van ‘Christenen voor Israël’ die opriep de Raad én de lidkerken te bestoken met protestmails en brieven. De Raad ontving honderden mails, sommige daarvan konden zelfs omschreven worden als ‘haatmails’. In sommige van die berichten werd ge- vraagd ‘of we wel wisten dat de woorden West Bank en Palestijnen nergens

Posted on